maandag 10 april 2017

Historische beelden van de Oostendse visserij

Tot onze goede voornemens van 2017 behoort ook dit. Maandelijks zullen we een blik werpen in het fotoarchief van Het Visserijblad. Daaruit plukken we telkens lukraak tien foto's. Eerder kreeg u hier al Historische beelden van Oostendse visserijscheepswerven te zien. Vandaag gaan we verder met beelden van de Oostendse visserij. Alle foto's verschenen eerder in Het Visserijblad.

Pasen, 1973. Op de O.129 Amandine. De naam van de visser is ons onbekend. —    
— De bouw van de 336 meter lange vismijn werd in 1947 gestart en de inhuldiging vond plaats op 22 juli 1951. De geschiedenis van de vismijn vindt u hier. —    
— Vissersvrouwen aan het werk op de Visserskaai in Oostende (jaartal onbekend) — 
— 1949 in de stedelijke visserijschool John Bauwens Oostende. Praktijkles. Op de eerstee rij herkennen we André Rondelez, Fernand Vandecasteele, Lucien Desmit, drie onbekenden en Emile Caulet. Achteraan: Noël Tanghe, Roger Vanderwal, Marcel Maes, André Droogenbroodt en André Fonteyne. —   
— In 1961 opent de familie Decrop in Oostende ‘de touwfabriek’. Over de vele ondernemingen van de familie schreef ik hier
 eerder al een stuk.— 
— Op de O.124 Fighter in 1985. Schipper Marc Dezutter met zijn eerste bemanning: motorist Manfred Jonckheere, matrozen Freddy Larangé, Johnny Brys, Fernand Ghesquière en scheepsjongen Franky Schreus. (Foto gw) — 
— De rederij Motorvisserij heeft personaliteiten uitgenodigd n.a.v. de proefvaart van een van haar schepen, vermoedelijk de O.301 James Ensor. We herkennen Achille Van Acker die in 1954 premier geworden is. (Foto E. Michel) —   
— In 1994 gingen de 7 arbeiders van de Oostendse APS-scheepswerf in staking. De actie zou 269 duren. We zien van l. nr r.: Redgy Steen, Norbert Bauwens, Ronny Theys, Michel Degryse, Fernand Cuvelier, Willy Vangheluwe en Eddy Renault. (Foto gw). —   
— De stalen diepzeetreiler O.395 Van der Weyden van de NV Motorvisserij werd in 1954 in de vaart gesteld. De voortstuwing gebeurde met een stoomaggregaat van 940 pk. Tonnage 599,15 bt. Lengte 53,43 meter, Breedte 9,14 meter. Het was het grootste schip van de rederij, maar heeft amper 3 jaar gevaren. Op 30 maart 1957 liep het schip op de kliffen van de IJslandse zuidkust. —   
— In 1998 gaan de kustvissers in actie. Ze beklagen zich over de aanwezigheid van overmaatse Nederlandse eurokotters op hun visgronden. Ze bezetten in dat jaar ook de Dienst voor de Zeevisserij, een inleiding op de havenblokkade die erop volgt. (Foto gw) Over de acties van de kustvissers vindt u hier
 een uitgebreid artikel. —   

zaterdag 8 april 2017

Beelden van historische Oostendse visserijscheepswerven

1957 — De O.185 is afgewerkt op de werf van August Loy (rechts vooraan met handen op de rug). Beneden zien we de scheepstimmerlieden Alfons Lowyck en André Muyle aan het werk. Ze zijn de ramheggen aan het dichtslaan. (Alle foto's komen uit de verzameling van wijlen Louis Pincket.)
1957 — Op de scheepswerf van Loy is het houten vissersvaartuig O.185 afgewerkt. Vooraan geknield Alfons Lowyck, André Muyle, Pierre Vanden Abeele en René Lauwereins. Tussen de twee vrouwen in staat Michel Verlinde. Achteraan Charles Vanmassenhove, Louis Pincket, Maurits Erebout. De anderen zijn ons onbekend.
Op de scheepswerf van Hillebrant wordt de B.603 te water gelaten. Vooraan ruggelings zien we Kamiel Massijn, vlak voor hem is Roger Smissaert aan het werk en rechts op de achtergrond vangen we een glimp op van André Hillebrant, zoon Achiel, eigenaar van de werf.
De scheepsdoop van de B.603. 
Scheepsbouwers op de werf van Hillebrant. Achteraan André Lacoere, Albert Gezelle en André Hillebrant. De drie op de tweede rij: Raymond Delie, Alfons Smitt, René Bolle. Vooraan: Daniël Barbier, 'grote Berten van Ichtegem', Edmond Smissaert, Louis Pincket en Kamiel Massijn. 
Van l. nr r.: Reder Engel Goderis, Kamiel Massijn, Daniël Barbier, André Lacoere, Edmond Smissaert, Daniël Hillebrant, Roger Smissaert. Tegen de paal staat schilder Doortje Verhaeghe. Vooraan geknield zitten Louis Pincket, Georges Hillebrant en Robert Gezelle. De dames op de foto zijn familieleden van de reder. 
De scheepswerf van Hamman. 
De scheepswerf van Panesi. 

zondag 12 maart 2017

De storm van 1953

— In Bredene, op de plaats waar
in 1953 de Kreekdijk brak, staat nu een
gedenkteken. —
Vandaag was ik van plan om te gaan joggen. Ik toog naar het strand en constateerde dat de toegang me belet werd door de baggeraars die daar massaal zand aan ’t opspuiten waren, een bescherming tegen de duizendjarige storm. Dat liet me aan die van 1953 denken.

Op zaterdag 30 januari 1953 begon zich op de Noordzee een hevige noordenstorm te ontwikkelen. De Vlaamse kust werd geconfronteerd met windsnelheden van 120 tot 150 km/uur. Hopelijk zou die storm niet al te lang duren, want het was volle maan en in de nacht van 31 januari op 1 februari werd bijgevolg springtij verwacht.
Kort van duur was die storm helaas niet. Hij duurde zelfs uitzonderlijk lang: 24 uur! De druk op de kust was enorm. Springtij en noordwestenwinden stuwden het water in de trechtervormige Noordzee op tot recordhoogte. Aan de oostkust stond het water al tot aan het kruin van de dijken. Het derde hoogwater (7,20 meter!) had rampzalige gevolgen. De storm trof overigens niet alleen de kust. In de Ardennen liet hij een sneeuwlaag van twee meter achter.
In Nederland overstroomde een groot deel van Zeeland, West-Brabant en de Zuid-Hollandse eilanden. Hierbij verdronken meer dan 1.800 mensen en massaal veel dieren; 100.000 Nederlanders verloren huis en bezittingen. Ook in Engeland en Duitsland vonden overstromingen plaats en vielen honderden slachtoffers. Het eiland Canvey in de Theemsmonding werd geheel overstroomd. Hier vielen 100 van de 287 Engelse slachtoffers.
Op zee verloren velen het leven. Zo verging toen ook het Zeebrugse vissersvaartuig Z 727 ‘Leopold Nera’ met zijn vijfkoppige bemanning. Op de Z 554 ‘Yolanda-Anna’ sloeg Heistenaar Albert Bulcke voor de rede van Oostende overboord.
In Heist werd een grote bres geslagen in de dijk bij hotel Des Bains. Er werd zoveel grond en zand weggevreten dat het hotel in het gat dreigde te verdwijnen. Intussen was het water Heist ingelopen en kwam het lage deel (dat in een duinpan is gebouwd en daarom de Pannenstraat heet), onder water te staan. De lange muur die langs de wandeldijk in Heist-west werd gebouwd, was vrijwel compleet weggeslagen. Grote brokstukken kwamen honderd meter verder op de kustweg terecht. Ook de tramrails tussen Heist en Zeebrugge werden vernield. Tussen Knokke en de Nederlandse grens bij het Zwin brak de 'internationale ringdijk' door en zet 250 hectare van het achterland onder water.
De schade aan de Belgische kust werd geschat op 450 miljoen BEF (12.879.000 €). In totaal werden van Koksijde tot Knokke 37 min of meer belangrijke bressen in de dijken geslagen (alleen al in Knokke-Heist waren er 15 bressen). De wegen, riolering, elektriciteit, waterleidingen… kwamen zwaar gehavend uit de storm. De kustbevolking zag zich geconfronteerd met ondergelopen kelders, schade aan hotels en zeedijkbebouwing, verzilte landerijen, verdwenen persoonlijke bezittingen, beschadigde kledij en werkmateriaal…
In Zeebrugge vielen geen slachtoffers, maar wel liepen veel schepen er zware schade op doordat de reders de kans niet hadden tijdig ze vast te sjorren. Het bleek door de storm onmogelijk over de noodbrug naar de haven te komen. Men slaagde er nog wel in achter de twee sluisdeuren grote hoeveelheden steenblokken te gooien om zo te voorkomen dat de sluizen braken. 
De nacht die 31 januari 1953 van 1 februari scheidde is in het collectieve geheugen van de kustbewoners gegrift. In België verdronken gedurende de ramp immers 28 mensen. [Elders heeft men het over 22 doden] In Oostende had de storm de binnenstad onder water gezet. Acht mensen kwamen daarbij om. Ook in Bredene viel een dode.

Oostende, 1 februari 1953, 1.30 uur ’s nachts — De golven slaan over de dijk. Het water stroomt langs de hellingen en zet de oude stad blank. Ook het Leopoldpark komt gedeeltelijk onder water te staan.
Een beetje verder lopen de handelsdokken over. De kaaimuren van die dokken zijn berekend op een hoogte van 7,08 meter. Op 1 februari 1953 wordt het een tij van…7,20 meter.  Verscheidene straten van het Hazegras overstromen en ook de ingang van het Maria-Hendrikapark staat blank.
Via de riolen stort het water zich ook in de kelders van o.a. Kaïro-, Stockholm-, Romestraat… De pompstations van de riolen vallen stil en de brandweer zet pompen in aan Petit Paris en in Mariakerke zodat het vuile water naar het waterriool overgepompt wordt. Ook worden er pompen geplaatst op de hoek van de Vindictivelaan en de Hendrik Serruyslaan, de hoek van de Visserskaai en het Sint-Petrus- en –Paulusplein en op het Vissersplein om het binnengestroomde water zo snel mogelijk weg te pompen. 
’s Morgens is de ravage duidelijk. 490.000 m2 van Oostende is overstroomd. 53 straten en ongeveer 2000 huizen staan onder water. Men raamt de totale watermassa in de straten, kelders, riolen en regenputten op 1 miljoen kubieke meter.
De hoogte van het water bedroeg in de stad gemiddeld 93,4 cm. De hoogste waterstand werd gemeten in de Sint-Franciscusstraat: 1,50 meter! Het was trouwens bijzonder gevaarlijk om door het water te waden omdat sommige riooldeksels door de druk van het water waren weggeslagen.
In het Leopoldpark waren bomen uitgerukt en was de vijver uit de oevers getreden. Tal van kasseien lagen los of waren weggespoeld. Her en der waren er grondverzakkingen.
Toen het water zich terugtrok, bleef een modderlaag achter met allerlei afval. En tussen al die ellende was er de allesoverheersende geur van benzine en mazout die zich met water had vermengd.
Jenny Lauwereins, toen 18 jaar, getuigt: Die avond zou ik gaan dansen in dancing Winnipeg op de Zeedijk. Het stormde hevig en ik had moeite om er te geraken. In de Van Iseghemlaan moest ik me aan de muren vasthouden om vooruit te komen. Ik geraakte uiteindelijk toch in de dancing, een… kelder. Mensen die van de film kwamen zegden ons dat het leuk was om te zien hoe het water over de dijk spatte. Maar het water begon ook in de dancingkelder binnen te lopen. We konden langs daar niet meer buiten. Via een uitgang in de Christinastraat konden we nog net op tijd vluchten, zoniet hadden we als ratten in een val gezeten …’ Jenny Lauwereins vertelt ook over de periode vlak na de storm: ‘Ik werkte in de Priba in de Kapellestraat. Van zodra het water was weggetrokken moesten we ons op ons werk aanmelden. Er was geen elektriciteit en we moesten werken met noodlampen.
De ravage was enorm. De toonbanken, de winkelwaar, alles lag door elkaar,… De eetwaren die in de kelder bewaard werden, waren verloren. Er was heel veel schade en er werd ook heel veel gestolen. Bovendien liepen er ratten. Wel was er personeel uit Brussel gekomen om ons te helpen en was er een dokter die voor de verzorging van eventuele gekwetsten instond. Het waren oorlogstaferelen die me altijd zijn bijgebleven.’

En nu de hamvraag. Is zo’n watersnood ook vandaag nog mogelijk? Jasmin Lauwaert, klimaatspecialist bij Natuurpunt, denkt er het zijne van: Alhoewel noodweer van alle tijden is, stijgt de kans erop als gevolg van de klimaatverandering. Tegen 2100 zal het zeepeil aan de Vlaamse kust tussen de 14 en 93 cm hoger zijn.’
Zijn we daarop voorbereid? Lauwaert: ‘De 67 kilometer lange Vlaamse kustlijn is helemaal niet voorbereid op zware stormen. Ze is quasi helemaal volgebouwd. Dat maakt de kust extra kwetsbaar.’ 
Hoezo? ‘Vandaag bestaat de opbouw van de verdediging tegen de klimaatverandering voornamelijk uit het opspuiten van zand op de stranden. Daarmee wordt volledig voorbijgegaan aan beloftevolle mogelijkheden om het karakter van onze kust te verbeteren en tegelijkertijd bescherming op te bouwen tegen de verandering van het klimaat.’
Natuurpunt stelt een rist maatregelen voor. ‘Een brede, dynamische duinengordel kan het achterland beschermen. Het zand moet dan wel  kunnen stuiven en hiervoor is een groot oppervlakte nodig. Een extra voordeel is dat regenwater dan in de duinen in de bodem dringt, het natuurlijke ondergrondse reservoir van zoet water voedt. Zo wordt het zout water van de zee tegen gehouden, waar ook de landbouw van profiteert. Ook kunnen structuren in zee gebruikt worden om ons te beschermen, zoals oesterriffen.’
Flor Vandekerckhove — Met dank aan Daniël Eyland voor de foto's.

Zij die stierven

In Oostende vielen acht slachtoffers, twee door verdrinking in het
stadscentrum, één door een hartaderbreuk, vier in hun huizen in de Bredenesteenweg en één iemand werd tijdens de storm overboord geslagen. (*)
* Albert Bulcke (° Heist, 1912), visser, overleden op 31 januari 1953 rond 20.30 uur op zee;
* Willy Eerebout (°Bredene, 1916), handlanger, overleden gevonden op 1 februari 1953 om 8.00 uur in de Ooststraat;
* Robert Van der Wal (°Oostende, 1905), visbewerker, overleden gevonden op 1 februari 1953 om 09.50 uur op het dak van zijn achterhuis, Bredenesteenweg 14;
* Ronny Deconinck (°Oostende, 1951), overleden gevonden op 1 februari 1953 om 12 uur in de sassen van het havengebied;
* Elisa Passchijn (°Stene, 1870), weduwe, overleden gevonden op 2 februari 1953 om 10.00 uur in haar woning in de Sint-Paulusstraat;
* Isidoor Gunst (°Bredene, 1881), ongehuwd, zonder beroep, overleden gevonden op 2 februari 1953 om 17.10 uur in zijn woning, Bredenesteenweg 1;
* Pharaïlde Gunst (°Bredene, 1885), weduwe, overleden gevonden op 3 februari 1953 om 14.00 uur in haar woning, Bredenesteenweg 2;
* Germaine Dumarey (°Westkerke, 1904), echtgenote van Robert Van der Wal, overleden gevonden op 3 februari 1953 om 14.20 uur in haar woning, Bredenesteenweg 14.

(*) Uit Oostende onder water 1953, Oostendse historische publicaties 10 – 2003.

donderdag 29 december 2016

Vlaamse Visveiling heeft het moeilijk


Rond deze tijd maakt de Vlaamse Visveiling normaal zijn jaarcijfers bekend. Voorlopig blijft het evenwel stil: de Vlaamse Visveiling, de enige maatschappij die vis veilt in Oostende en Zeebrugge, ligt zwaar onder vuur. Een aantal reders vinden de veiling te duur en te bureaucratisch. Zij leveren méér en méér in Nederland, vb. aan de visveiling te Urk. Volgens een aantal handelaars zorgt dat voor een sterk geslonken aanbod én minder kopers. De stad Oostende sleept de NV Vlaamse Visveiling dan weer voor de rechtbank omdat er te weinig in Oostende aangeleverd wordt.
De reders aan de kust liggen regelmatig overhoop met de Vlaamse Visveiling. Afgelopen jaren waren er conflicten rond de kwaliteit van de aangevoerde vis, de organisatie van de veiling, de lage prijzen. Deze keer hebben nogal wat vissers ontdekt dat Nederlandse veilingen, zoals die in Urk goedkoper zijn en minder administratieve lasten met zich meebrengen. Gevolg is dat een aantal visserijschepen hun waren in Nederland gaan afzetten in plaats van in Oostende. Volgens directeur Johan Van de Steene van de visveiling loopt het niet zo een vaart. In Het Laatste Nieuws liet hij weten dat “iedereen vrij is om te leveren waar hij wil, maar dat een aantal mensen toch al aan het terugkomen zijn.” Van de Steene is iemand die sterk kan relativeren. Deze keer wordt zijn stelling wel aardig tegengesproken. Johan Van de Lanotte, S.P.a-burgemeester van Oostende, drukte zijn ongerustheid al uit en zijn partijgenoot Steve Vandenberghe (S.P.-a) kaartte de zaak aan in het Vlaams Parlement. Minister Schauvlieghe (CD&V) besliste om Kris Peeters’ ex-kabinetsadviseur Frans Coussement als bemiddelaar op pad te sturen.
In de Oostendse gemeenteraad drong ook Wouter De Vriendt (GROEN!) aan op bemiddeling. Daar liet het schepencollege ook weten dat het nu toch naar de rechtbank trekt om een boete van 107.000 € op te eisen. Bij de fusie van de visveilingen in Oostende en Zeebrugge in 2011 werd contractueel vastgelegd dat 45 % van de vis in Oostende moest geveild worden. Die cijfers haalde men nooit, waardoor de stad de boeteclausule van stal wil halen. In 2014 was er hier al sprake over in de Climaxi-film ‘Fish & Run’. Toen al doken er ook twijfels op over de belofte van de veiling om in Oostende een nieuwe vismijn op te richten. Die zou er komen na afbraak van de vorige. De oude mijn is ondertussen gedeeltelijk tegen de vlakte gegaan. Het geheel biedt een troosteloze aanblik en zelfs de kantine gaf er de brui aan. Twee jaar geleden wees Climaxi er ook op dat men het in de zomer moeilijk had om er de wettelijke temperatuur van max. 4° C te halen. Teun Visser (Visveiling Urk): “Wij waren ten tijde van de overname van de Oostendse veiling ook kandidaat, maar we hebben het plan laten schieten omdat het bouwen van een nieuwe visveiling één van de voorwaarden was. Dat was volgens ons, gezien de omzet, gewoon onhaalbaar.

Herstructurering
De NV Vlaamse Visveiling zelf zit in volle herstructurering. Ex-Boerenbonder Piet Vanthemsche werd midden vorig jaar voorzitter van de Raad van Bestuur en Sylvie Becaus zou als algemeen directeur de traditie van haar moeder Marie-Jeanne Pieters verder zetten. Huidig directeur Johan Van de Steene vertrekt in februari met pensioen. De ‘nieuwe bazen’ zouden volgens insiders het bedrijf willen oriënteren in de richting van een ‘clean’ bedrijf met een gesloten cirkel. Zo werd er een systeem ingevoerd waarbij enkel mensen met een badge de werkvloer en de veilruimte mogen betreden. Die aanpak heeft op de veiling een aantal cowboys weggejaagd die er niet thuis horen, maar werd blijkbaar op een zodanig ‘koude’ manier doorgevoerd, dat het ook andere mensen wegjoeg. Zo moet elke vis die aankomt geveild worden. Mensen die jaren aan een klein uurloon vis lossen kunnen geen vis meer meekrijgen als geschenk en zelfs de vissers kunnen geen enkele vis meer naar huis meenemen zonder dat die geveild wordt, zeggen verschillenden onder hen: “Op de veiling is méér controle en staan méér camera’s dan in de gevangenis van Brugge”.
Volgens onze bronnen zou een kleine helft van de aanleverende schepen ondertussen in Nederland zitten. Dit heeft uiteraard ook effect op de aanvoer en de diversiteit van de vis. Teun Visser (Visveiling Urk): “Onze omzet is met 25 % gestegen dit jaar. Dat heeft niet alleen te maken met betere visprijzen en méér pladijs, maar ook met Belgische vissers die hier komen aanlanden. Wij zijn een coöperatie van vissers. En inderdaad, in het najaar zijn een vijftal Belgische reders gewoon ook toegetreden tot de coöperatie. We zien ook méér Belgische kopers. Vissers zijn mijn leden en die hebben een bestuur gekozen waar ik voor werk. Zij zijn eigenaar van de veiling. Als er op het einde van het jaar winst is, dan gaat dat terug naar de reders.  Wij hebben ook te maken met regels, maar onze service is minstens even belangrijk dan de winst die we op het einde van het jaar over hebben.. Zo hebben we dit jaar nog geïnvesteerd in een nieuwe sorteerlijn.”
Ook de handelaars klagen steen en been. Romeo Rau (NV Jens): “Er is een beetje méér import momenteel maar dat trekt het manke aanbod op de veiling niet recht. De nieuwe leiding van de veiling gedraagt zich bijzonder arrogant. Het lijkt wel of we geen klant méér zijn maar koude nummers. Men luistert ook niet naar de kopers. Voor het falen van het online-veilsysteem of de distributie kregen wij nooit enige compensatie. Onlangs werd er ook gestart met blokverkoop. Men verkoopt nu alle vissoorten in één keer in plaats van per schip. Dat is voor ons veel moeilijker: je bent de band met een schip kwijt en je kan tussen twee boten door niemand meer bellen voor extra-bestellingen. Uit een bevraging bleek dat 99 % van de handelaars tegen was, maar dat raakt de veiling blijkbaar niet.”  

Samenloop
De samenloop van beide acties (reders en de stad Oostende) is tamelijk vervelend voor de Vlaamse Visveiling. Ze maakte in het boekjaar 2015 73.000 € winst op een omzet van ongeveer 87 miljoen €. Ook deze cijfers zijn evenwel relatief: er zijn nog de Verenigde Vlaamse Visveilingen en het European Food Center waarin afgeleide centen terecht komen. Het Food Center kon in dezelfde periode een aardige 396.248 € op zijn conto schrijven. 
Het verwijt naar de constructie rond de visveiling is altijd geweest dat de mensen die de macht in handen hebben weinig of niets met de visserij te maken hebben. Aandeelhouders als Sylvie Becaus en Marie-Jeanne Pieters hebben meer relaties met de immobiliënsector dan met de Vlaamse visserij. Zij zaten ook achter de deal met Vietnam om in België via hun firma’s goedkope pangasius in te voeren. Die deal ging uiteindelijk, o.m. na actie van Climaxi niet door. Anderzijds heeft de visveiling wel altijd connecties gezocht met figuren uit de Boerenbond: Naast Piet Vanthemsche is Ex-Boerenbonder Noël Devisch volgens Trendstop voorzitter van de Raad van Bestuur van het European Food Center. Onder de aandeelhouders vinden we verder in de sector onbekende firma’s als Confortimmo en Delvaux Transfers. Kortom, het ziet er ook niet naar uit dat de Visveiling met deze mensen aan het roer de kaart zal trekken van een meer ecologische manier van verhandelen of van de klimaatvriendelijker korte keten
Tijdens filmopdrachten in het buitenland leerde Climaxi ook dat er andere modellen bestaan om vis aan de man te brengen. In andere landen is er méér directe verkoop en hebben de visveilingen minder in de pap te brokken. In het Verenigd Koninkrijk bestaan er ook visveilingen (vb. Hastings) die net zoals in Nederland in handen zijn van reders en vissers zelf. Climaxi denkt in elk geval dat het quasi-monopolie (Nieuwpoort heeft een zéér kleine veiling die samenwerkt met het concern van de NV Vlaamse visveiling) de service naar klanten en visserij geen deugd doet. Misschien moeten Urk en Nieuwpoort maar eens samen aan tafel gaan zitten?
Ondanks herhaalde telefoons en mails kregen we tot nu toe geen reactie van de directie van de NV Vlaamse Visveiling. 

Tekst Filip De Bodt, correctie Flor Vandekerckhove, tekening Jo Clauwaert 

Voor wie meer wil weten: www.climaxi.be of mail naar info@climaxi.be


In deze blog vind je nog meer achtergrondinformatie als je in de rechterkolom het label 'vismijnen' en 'Vlaamse Visveiling' aanklikt.

zaterdag 2 april 2016

Vermijdingsrituelen in de visserij

Het schip is een symbolische vrouw. Het wordt gedoopt, krijgt een naam, een peter en een meter. Tijdens de vangst 'bezwangeren' de vissers het schip en het wordt in de vismijn 'verlost'. (Op de foto:pasen 1973. Vissers op de Vlaamse IJslandvaarder Amandine, thans museumschip in Oostende.)

Oostende is een spookstad. Dat bewijst de Vlaamse Volksverhalenbank. Die bevat 174 getuigenissen van Oostendenaars die met een spookachtig verschijnsel geconfronteerd werden. Veel ervan hebben met de visserij te maken. Dat is logisch, want tot in de jaren zestig van de vorige eeuw is Oostende een indrukwekkende vissersstad geweest.
Een aantal van die vissersverhalen hebben met vermijdingsrituelen of rituele mijdingsregels te maken. Zo moeten sommige woorden (‘paster’) aan boord vermeden worden, sommige voorwerpen (lange broden, krentenbroden) en sommige handelingen (scheren)… Op weg naar ’t schip mijd je priesters, vrouwen (Miete Delange in ‘t bijzonder) en sommige dieren (katten). Het zijn taboes (woordtaboes en visuele taboes).  Als ze niet vermeden worden, kunnen er bovennatuurlijke sancties volgen.
Die spookverhalen hebben bijgevolg een welbepaalde functie, ze herinneren de vissers aan de gevolgen van onzorgvuldigheid en ze zorgen ervoor dat de taboes gerespecteerd worden.
Stefaan Top (univ. Leuven) is een specialist in de Volkskunde.
Onder zijn impuls werd de Vlaamse Volksverhalenbank opgericht.
Uit zo’n verhalen valt veel te leren. Bij het uitvaren moeten vrouwen gemeden worden, pastoors, katten, maar vreemd genoeg ook… zwanen. Bestaat er een verband? Wat hebben een vrouw, een pastoor en een zwaan met elkaar gemeen?
In 1958 noteerde een wetenschappelijk medewerker van professor Stefan Top volgend verhaal uit de mond van een Oostendse visser. Hij heeft het over een zekere Aspeslagh, e visscher die voarde en die mêns aad alle tegenslagen van de wêreld. ’t Was z’n eigen schip, stief katteliek, awor, ê j’aad ol de tegenslagen van de wêreld. Bie zoverre datten soms in zèè e zwoane zaag zwemmen, gelik of da j’ier in den of êt. Zo die zwoane kwaam tegen de boord, zo ze verschuwden ziender dadde en da wilde mo nie weg goan. Tot op e zekere kèè datten e sleep deide op ze visscherie en ter zat toar mor èèn toenge in, e groaten, jüste ’t vel over de groate. Zo nateurlik, j’êt da toa were over boord gesmeten.
En osten ton thüs kwaamde, je gienk ton no de paster, je gienk da gon zeggen. En de paster zei: “Ewêl, je zie gie beëkst gewist. Aa j’em in ’t vier gesmeten, ewor, die ekse gieng verbrand gewist ên.”
Zo die paster êt em ton belezen, wiewoater en ollegoare meegegeven.
Zo j’is ie ton nateurlik were in zèè gegoan. Mo da was nog assan ’t zêlfde. Z’ên em tonne e krüsbeeld gegeven, voer an ze korre t’ angen. Ton is da mo stilletjes an, stilletjes an verbeterd awor. Enne zo êtten ie toen nieks mi gewoare geworden.’
In vind nog gelijkaardige voorvallen. ‘Da was e visscher ên je gienk no zèè met de sloepen nog in de tied ee. En osten an d’oede kerke komt wo da de peperbusse nu nog assan stoat, ter lopen doa zes klèène zwoantjes, gèèle klintjes; “Wa doet dadde ier” zegten “in ’t gat van de nacht, die zwoantjes. Kom bèèsje kom” zegten, en med under panger (…), lokten die bèèsjes bie em en stikten z’n in ze panger. Enne je go no ’t schip, en je go no zèè, en je zegdie an niemand niet. En oan ze al verre in zèè zien, d’èèste nacht, vertelten, wa datten doa mee êt en woa datten da gevoenden êt.
“Ja mo” zegt de kappeting “rap je gie mor alles op” zegten.
“Ewê”, zegten “wad is ter doar an gelegen” zegten “omme binnen zien ‘k gon ze kik lienks of rechts dragen, ze kunnen z’op kwèèken” zegten.
Mo nu den twidden nacht, je wilt die bèèsjes eten geven en da zien in de platse dosoofden. Je roept de kappeting en roept de zes andere mannen, — zes mannen en e joengen is ter an boord van de sloepen — en die mânschen stoan aal verstomd. En zegt de kapting: “Dat is e slich voortèèken” zegten “ke gon ik nie vors” zegten “ke goan ekik nie verder op de visvangste, ‘k gon ik werekèèren” zegten en je vroege d’ander mênschen under avies, en zieder weregekèèrd! En oan ze binnen kwamen die vint die ze gevangen adde, doar an de peperbusse, ze wüf was dood, ze wüf was gestorven.’
En zo zijn er in die Volksverhalenbank nog een aantal vertellingen te vinden waaruit blijkt dat zwanen te mijden zijn. De vraag is waarom.
Er bestaat een antropologische studie die het over dergelijke rituele mijdingsregels heeft (*) Daarin wordt het verschijnsel als volgt geduid: Waar sprake is van gevaar, economische onzekerheid en onvermogen om ecologische krachten te beheersen, daar treft men rituelen, magische handelingen en taboes aan.’ Het spreekt vanzelf dat de visserij hieronder valt. De visserij is ook vandaag nog altijd het gevaarlijkste beroep ter wereld, er bestaat nog altijd geen zee zonder stormgevaar en de opbrengst van de visserij is nooit op voorhand bekend. Het is een situatie die bij de betrokkenen gevoelens van angst en onzekerheid oproepen. Rituele mijdingsregels helpen, net als amuletten (kruisbeelden, paternosters…) die gevoelens te onderdrukken.
Rob van Ginkel (universiteit A’dam) is een antropoloog
die zich sinds 1988 op het maritieme geconcentreerd
heeft. Zo bestudeerde hij ook overgangsriten in
vissersgemeenschappen.
Vandaar ook dat de overgang van het vasteland naar de zee, de afvaart, ter zake erg gevoelig ligt. Tijdens die overgang nemen de vissers een veelvoud van ongeschreven regels in acht die hen van een goede vangst en een behouden thuiskomst verzekeren.
In de Volksverhalenbank vind je dan ook een aantal verhalen van vissers die weigeren uit te varen als er een slecht voorteken is: ‘Ja, Miete de Lange, godomme, m’ên nog bie eur geweund, m’ên nog in èèn üs geweund, j’aam. Os’t er e sloepe moest in zèè goan, en ze zaat zie op e poale woa dad under ende an vaste was, ze giengen zieder ni zeggen: “Madame, god e bitje weg wè.” Nei’s, ze giengen zieder wachten toe da ze giengde. Ja, ze giengen nie weg goan wi, ze giengen in zèè nie goan.’
Die vrouw was een slecht voorteken, net zoals hoger vermelde zwaantjes dat waren. Maar nogmaals, wat is het verband tussen een vrouw en een zwaan?
Er is een wetenschapper die in 1964 een ter zake belangrijk verband ontdekt. (**) Hij onderzoekt welke dieren zoal taboe zijn bij de afvaart. Een eerste categorie bestaat uit dieren waarvan mensen geloven dat duivels en heksen zich erin transformeren. Zo bestaan er vissersgemeenschappen waar hazen, konijnen, vossen, ratten, katten, honden, raven of kraaien vermeden moeten worden.
Er is nog een andere categorie en die bestaat uit dieren die ambigu zijn. Zo is zalm een taboe in vissersgemeenschappen van Bretagne en Schotland. Da’s merkwaardig, want een zalm is een vis. Maar omdat hij zowel rivier- als zeevis is, is hij dubbelzinnig. Ook dieren die zowel op land als in het water leven zijn ambigu. Paling en otter zijn taboewoorden in de Shetlands, zeehonden (Shetlands, Orkney, Schotland en Zweden), alligators in Texas en kikkers in Zweden. Dat zijn allemaal dieren die zowel te land als te water leven. En zoals bovenstaande spookverhalen ons leren, geldt er in de Oostendse visserij een taboe op zwanen, ook een dier dat zowel te land als te water leeft, ambigu is en dient gemeden te worden.
Dat zijn dieren. Maar waarom is er dat taboe op vrouwen? Ze behoren tot de vissersgemeenschap, waarin ze belangrijke taken uitoefenen (sociale reproductie, netten breien, zakelijke taken zoals de verkoop…), maar ze werken niet aan boord van het vissersvaartuig. Daarin ligt hun ambiguïteit. Om alle onzekerheid te bannen moeten de zaken in zo’n overgangsritueel gescheiden blijven: vrouwen dienen bij de afvaart vermeden te worden.
Antropoloog Rob van Ginkel zegt het als volgt: Vanaf het moment dat vissers hun huis verlaten om zich op weg naar hun boot te begeven, tot het tijdstip waarop ze weer voet aan land zetten, vertoeven ze in een ander en minder bekend fysiek en cognitief domein. Gedurende dat tijdsbestek zijn ze, niet alleen in lichamelijke en economische zin, maar ook en vooral in bovennatuurlijke zin, bijzonder kwetsbaar. Dat ze zich niet met vrouwen kunnen associëren, die moeten mijden, komt omdat ze op weg zijn naar een andere, symbolische vrouw, te weten hun boot.’
Vissersvrouwen spelen een belangrijke rol in de visserij,
maar niet aan boord van 't schip. Daarom zijn ze 'ambigu'.
Op de foto: vissersvrouw Maria Poitier tijdens WO II in Brixham.
Het schip als andere vrouw! Het is inderdaad iets wat ik ook in de Vlaamse visserij gehoord heb. Van Ginkel bevestigt: ‘Een vaartuig is niet slechts een materieel, maar ook een symbolisch object. Een boot wordt gedoopt, krijgt een naam (vaak van een vrouw) en heeft soms zelfs peetouders. Er wordt altijd in de vrouwelijke vorm aan een boot gerefereerd.’
Van Genkel merkt ook een zekere seksuele connotatie op in de aard van het visserswerk: Vissers werpen hun netten uit en 'bezwangeren' hun boot met de vangst, die zij in haar 'buik' (het ruim) bewaart. In een haven wordt de boot van haar vangst 'verlost.' De economische reproductie in de visserij vertoont een opvallende familiegelijkenis met de sociale reproductie. Men zou kunnen zeggen dat een vaartuig voor vissers, gedurende de vaart, een symbolische eega is. Zij hebben deze 'vrouw' nodig voor hun economische reproductie en kunnen zich derhalve niet associëren met andere vrouwen, die deze reproductie in gevaar brengen.’
Rest ons alleen nog een vraag op te lossen. In de Volksverhalenbank staat ook dit: ‘E je mocht nie spreken van e paster, van e nunne wêl ja, mo van e paster nie.’ Pastoors en dominees moeten ook bij het uitvaren gemeden worden. Dat geldt in Oostende, maar ook in Nederland, de Orkneys, Bretagne, Schotland, Shetland, Far Oer, New England (USA), Texas (USA), Vigo (Spanje)… Waarom is een pastoor eigenlijk taboe? Van Genkel zegt er dit over: Als intermediairs tussen het sacrale en profane zijn geestelijken uiteraard ambigu. Bovendien nemen zij een drempelpositie in in vissersgemeenschappen. Zij komen van buiten de gemeenschap, zijn dus buitenstaanders, maar ze spelen daarin niettemin een belangrijke rol bij de rites de passage verbonden met de levenscyclus, waardoor ze zowel met het leven als met de dood geassocieerd worden. Dat laatste vormt een extra aanleiding om een ontmoeting met een priester of dominee te vermijden.’
Flor Vandekerckhove

(*) Rob van Ginkel. Tussen wal en schip. Taboes en territoriale overgangsriten in Noord-Atlantische vissersgemeenschappen. In Etnofoor I (2) 1988, pp. 108-127.
(**) Anthropological Aspects of Language: Animal Categories and Verbal Abuse. In: E.H. Lenneberg (Ed.), New Directions in the Study of Language. Cambridge.